OVER DEZE WEBSITE  |   GASTENBOEK  |   AANRADERS  |   DISCLAIMER  

Tekst   Foto's
HOME     HAARLEMMERMEER      DORPEN     T OUDE BUURTJE     PERSONEN     ZOEKPLAATJES     FOTOALBUMS     FILMS    
»  Droogmakingsplannen 17e Eeuw
»  Droogmakingsplannen 18e Eeuw
»  Droogmakingsplannen 19e Eeuw
»  Cruquius, Nicolaas Samuel
»  1839-52 de Droogmaking
»  1845 Bouw Gemaal Leeghwater
»  1850 de Polderjongen
»  1852 Verkaveling en Inrichting
»  1854 Tochtje door nieuwe Polder
»  1858-60 Gedenkpenningen Droogmaking
»  1852-70 de Kolonisatie
»  1870-90 de Landbouwcrisis
»  1890-1920 Economisch Herstel
»  1920-45 begin verstedelijking
»  1940-45 Onderduikers in Haarlemmermeer
»  Deel 1: Fam Bogaard
»  Deel 2: Fam Bogaard Vervolg
»  Deel 3: Fam Breyer
»  1945-75 Sterkere Verstedelijking
»  Boerderij namen

DE ONDERDUIKERS IN DE HAARLEMMERMEER - Deel 3

Uit: VRIJ NEDERLAND – 16 Maart 1985
Door: Anita van Ommeren en Ageeth Scherphuis
Foto’s en reprodukties Bert Nienhuis

Na de desastreuse overval bij de Boogaards dwongen de Duitsers Herman Bogaard de weg te wijzen naar het huis van familie Breyer aan de IJweg, waar ook joden zouden zitten. Vlak voor het huis sprong hij op zijn klompen uit de auto op de bevroren grond om te waarschuwen. Hij was een van de weinigen die wist dat in het daglonershuisje tien joodse onderduikers zaten, oom Hannis en hij hadden de meesten er zelf heen gebracht. Gerrie Breyer, toen 11 jaar, herinnert het zich nog tot in de kleinste details: ’Iedereen was binnen de minuut in de kelder. Het hele huis was toen al omsingeld. Aanvoerder was de beruchte Kaptein, een Nederlander in Duits uniform, die graag Duits sprak. Hij zette zijn revolver op de borst van mijn vader en zei: "Wo sind die Juden." "Er zijn hier geen joden," zei vader. En daarop sloeg die Kaptein vader met de revolver op zijn hoofd. En nog een keer zei hij: "Wo sind die Juden." Dat duurde zo een kwartier en toen vloog mijn moeder erop af, "Hij heeft toch gezegd dat hier geen joden zijn," zei ze. Kaptein duwde haar hardhandig weg, zodat ze met veel lawaai op de rand van het bed viel. Als iemand dat in normale tijden bij moeder had gedaan, was ze hem aangevlogen, nu hield ze zich koest om vader te sparen.
Mijn broers kwamen haar te hulp, Sam stond oog in oog met die Kaptein, ze waren even groot, hun gezichten vlak tegenover elkaar — zonder iets te zeggen. Dat duurde heel lang en dat was heel griezelig.
Ik zat recht tegenover mijn vader, ik weet ’t nog precies. Ik ben spastisch en ik had toen nog geen rolstoel, ik kon mij dus niet bewegen. Bang was ik niet, ik dacht alleen schiet-ie nou wel of schiet-ie niet. Ze bleven zo staan tot mijn andere broer van boven kwam, waar hij zijn persoonsbewijs had gehaald.
"Het lijkt hier wel een moordhol," zei hij, toen hij zag wat er gebeurde, "We krijgen hier steeds vaker van dat gespuis." ’ Moeder Ant Breyer: Toen draaide die Kaptein zich af. Hij kon Sam zijn ogen zeker niet verdragen en vroeg of we iets wisten van de moord bij Bogaard, hij dacht kennelijk dat mijn zoon daarop doelde. De spanning was gebroken.’

Ant en Sam Breyer

ZEVEN KEER IS ER EEN OVERVAL gedaan op het huis van Ant van Sam Breyer en hun zes kinderen, en nooit is er iemand meegenomen — de tien onderduikers en zoon Hendriekus Breyer, die in zijn eigen huis was ondergedoken, zijn allemaal behouden de oorlog doorgekomen. Op een bandje dat een van de onderduikers maakte vlak voor de dood van Ant Breyer, op 4 mei 1977, zegt ze: ’Oom Hannis heeft veel joden opgehaald, maar er is er niet een de oorlog doorgebracht, behalve die hij heeft doorgeholpen.’ En Sam Breyer voegt daar aan toe: ’Het was een onverantwoordelijke beweging bij de Bogaards.’
Twee jaar lang woonden er achttien mensen in dat grauwe huisje aan de IJweg, zonder bloemen., zonder grint, dat bestond uit een woonkamer met bedstee, waarin Ant en Sam Breyer, toen 51 en 55 jaar oud, sliepen, een bed voor hun dochter Gerrie en een kolenkachel, waarop werd gekookt, een keukentje met één kraan en daarboven een vliering.
Gerrie Breyer was het nakomertje, boven haar waren vijf oudere broers, die allemaal thuis woonden, en een getrouwde zuster. Ze woont nu, 52 jaar oud, in het Dorp bij Arnhem. Ze beschrijft haar hele ouderlijk huis zo groot als de kamer waarin ze nu woont, en die is niet groot. Haar vader, Sam Breyer, was landarbeider, het hele huis draaide om zijn vrouw Antje, een sterke vrouw — lichamelijk en geestelijk. Op de foto’s uit de oorlog is ze leeftijdloos, altijd in ’t zwart, vitaal en met een leuk gezicht met levendige, schitterende ogen. Ze was een kordate vrouw, iedereen herinnert zich haar met haar handen in haar zij. Als iemand haar, haar kinderen of de onderduikers te na kwam, gebruikte ze haar handen. Er gebeurde niets in het huis dat niet Ants steun had.
Gerrie was negen jaar toen de eerste onderduikers kwamen, ze weet nog dat er familieraad werd gehouden. ’Oom Hannis had bij het uitgaan van de kerk mijn tante aangeklampt en haar gevraagd of ze twee joodse meisjes onderdak kon geven. Tante kon er maar één hebben en beloofde oom Hannis dat ze haar zuster zou vragen of die er ook één wilde nemen. Moeder aarzelde geen moment, mijn oudste broer Sam was niet meteen vóór omdat hij bang was dat hij moest liegen als er een overval kwam en dat was tegen zijn principes. "Nou," zei mijn moeder, "dan zeg je toch gewoon dat het jodenkinderen zijn." ’
In haar herinneringen, die ze voor één van haar onderduikers heeft opgeschreven, zegt Ant Breyer dat haar dochter — een Jehova’s getuige — die met haar gezin naast haar woonde, er om dezelfde reden tegen was: ’maar gelukkig heeft de SD haar nooit iets gevraagd.’

DE EERSTE ONDERDUIKSTER was een meisje van dertien jaar, Saar van Sister, uit de Bergstichting, een joods kindertehuis. Ze dook begin 1943 onder, samen met haar vriendin Chellie Paardekoper. Lies de Jong, die tientallen joodse kinderen uit de Bergstichting heeft laten onderduiken, haalde ze op en bracht ze naar Truus de Swaan op de Stadionkade in Amsterdam. Chellie Paardekoper aarzelt 1""1T als we haar vragen waarom juist zij uit al die kinderen uitge-
kozen werden om onder te duiken en de anderen niet. ’Ze namen de kinderen van wie ze dachten dat ze niet lastig zouden zijn.’ Oom Hannis haalde ze op bij Truus de Swaan. Chellie Paardekoper: ’Die dag ging Saar naar tante Ant en ik naar haar zuster, dat wisten we niet, ik dacht dat we bij elkaar zouden blijven. Toen kwam er veertien dagen huilen. Vanaf het moment dat ik binnenkwam, heb ik mijn mond niet opengedaan, ik was een soort doofstomme. Van alles hebben ze met me geprobeerd. Aan die mensen lag het niet, die waren heel aardig, maar ik kon het niet. Toen ik binnenkwam, zaten er een paar vreemde jongens en meisjes aan een tafel met een zeiltje, ik moest erbij gaan zitten en meteen mijn handen vouwen en bidden. Ik kon alleen maar denken: hoe hou ik het hier uit.’
Ten einde raad hebben ze Chellie meegenomen naar haar vriendinnetje Saar, die al lang door had hoe ze haar onderduikmoeder moest bewerken.
’Zeg dat je hier wilt blijven,’ fluisterde ze Chellie in, ’zo dat tante Ant ’t hoort.’ Gerrie Breyer: ’Moeder vond het zo zielig dat Saar en Chellie de hele dag zaten te huilen omdat ze elkaar misten. Ze zijn iedereen al kwijt, zei ze en nu halen we die twee ook nog uit elkaar. Toen Chellie bij ons werd gebracht, zei moeder wel tegen haar zuster dat zij in plaats van Chellie een ander joods kind moest nemen, dan was er wéér een gered.’
Ant Breyer in haar herinneringen: ’Zaterdag voor Pinkster, het was 1943, kwam mijn zwager die twee onderduikers had, een meisje van veertien jaar en een jongen van zeven, met die kinderen bij ons. Ze moesten terug naar oom Hannis want mijn zwager had over de post een brief van de politie gekregen dat hij ze weg moest doen. En wij moesten ze maar verder brengen.’ Sam Breyer op het bandje dat de onderduikers maakten: ’Ik vind het onverantwoordelijk en gemeen ook, want de politie schreef in die tijd geen brieven en zeker niet over de post. Ik heb niks gezegd, maar ik was zo kwaad op mijn broer dat hij op klaarlichte dag met twee uitgesproken joodse kinderen door het dorp liep, "door de Meer en bij ons op het erf kwam.’ Ant Breyer: ’Wilt u wel geloven, nu zevenendertig jaar later, dat ik er nog van huiveren kan hoe ze toen met de mensen omsprongen, nog erger als met beesten en wat hadden die mensen gedaan. O, God, ais u met uw wrake komt, gedenk dan ieder naar zijn werken. Mijn zwager en zijn familie zijn ook christenen en zij kunnen daar vrede mee hebben. Ik niet, ik heb veel meer vrede met de onderduikers die nog steeds bij mij komen omdat wij ze voor een klein loontje geherbergd hebben.’ Die twee kinderen bleven bij tante Ant en zoon Hendriekus, die naar Duitsland moest, is ook thuis ondergedoken.

TOEN SALLI COHEN, 61 JAAR OUD, in de zomer van 1943 bij de familie Breyer kwam, waren er zes joodse kinderen en jonge vrouwen. Hij vertelt in herinneringen die hij voor zijn dood heeft opgeschreven voor het museum Yad Vashem in Jeruzalem dat tante Ant en oom Sam hun dochter Gerrie bij zich in de bedstee namen, zodat Salli Cohen in het bed van Gerrie kon slapen, omdat hij zo zwak was. Zelf schrijft hij dat er niet bij, maar zijn zoon vertelt dat Salli Cohen net geopereerd was in het joodse ziekenhuis in Amsterdam, op het moment dat er een inval kwam. Hij wist uit het ziekenhuis te ontkomen en is ondergedoken met hulp van Truus de Swaan en Lies de Jong. Salli Cohen (in de oorlog ome Henk): ’In de woonkamer was één raam, met uitzicht op het bruggetje voor het huis, de enige toegang. Voor dit raam moest altijd iemand op wacht zitten om uit te kijken naar eventueel bezoek, hetzij goed, hetzij kwaad. Daar het niet verantwoord was een van de jonge onderduikers dit te laten doen, heb ik op mij genomen daar altijd te zitten kijken. Moest ik om een of andere dringende reden bij het raam weg, dan nam direct iemand anders deze taak over.’

Zijn zoon en schoondochter Harry en Sieny Cohen waren de enige familieleden die niet gedeporteerd waren, maar na zijn vlucht uit het ziekenhuis was hij ze kwijtgeraakt,
Sieny en Harry Cohen waren in het begin van de zomer van 1943 in ondertrouw gegaan, bij V en D in de Weesperstraat in Amsterdam, waar één toonbank was leeggeruimd — de burgelijke stand voor joden-  Eind september doken ze onder: Truus de Swaan wist iemand die ze verder kon helpen — Oom Hannis. Hij haalde ze op bij Truus de Swaan en bracht ze op de fiets naar een woonschuit aan de Lisserdijk.
Sieny Cohen: ’Het was ’s avonds, schemer, en voor ’t eerst kreeg ik het gevoel dat ik vrij was. In Amsterdam kon je ieder moment worden opgepakt, leefde je voortdurend in angst. Daar op die dijk had ik het idee dat ik voor ’t eerst in mijn leven koeien zag en groen. We zagen de woonschuit uit de verte, hij lag half op het land, half in het water en terwijl we aan kwamen rijden, verscheen er een grote donkere man in de deuropening, hij bedekte de hele deur van die schuit. Terwijl we afstapten zei hij tegen ome Hannis: "Kom je me weer joden brengen, die kan ik niet hebben, we hebben net een overval gehad." Ome Hannis antwoordde dat hij ons niet op het gras kon leggen. "Je moet ze nemen, al is het maar voor een nacht." We kwamen binnen als ingeklapte ballonnen — dat gevoel van vrijheid daar buiten op de dijk was in één klap weg.’
De schuit bestond uit een kombuis en één kamer, met grote bossen gladiolen voor het raam. In haar onschuld vroeg Sieny of er feest was, nee, dat was om te zorgen dat er niemand binnen kon kijken. Er was geen water, geen licht, geen gas en één stel lakens, dat twee keer per jaar werd gewassen en dat kregen Sieny en Harry, zo van het bed van de bewoners. De eerste nacht al hingen ze in het water, vastgeklampt aan de rand van de boot omdat het hondje kefte — het afgesproken sein dat er onraad was. Na alarmerende berichten over verraad sliepen ze ’s nachts in een bootje bij een eiland even verderop in de Lisservaart. Sieny Cohen: ’De eerste nacht al dachten we dat het mis was — plons, plons, plons, maar het waren ratten. Die liepen over ons heen, we konden er niets tegen doen, zoveel waren er.’
Harry Cohen: ’De ponden vielen van haar af.’ De situatie werd steeds moeilijker, ze hadden geen kleren en geen bonnen. Het echtpaar dat de schuit bewoonde deelde van het karige rantsoen, maar dat was nauwelijks genoeg om twee mensen in leven te houden. Hulp kwam van een van de zoons van de familie Breyer, Piet, die op een dag aan de deur kwam met hun koffer met kleren die was achtergebleven bij Truus de Swaan. Sieny en Harry vroegen of hij hen kon helpen, maar bij hem thuis zaten al zes kinderen en een oudere man ondergedoken. Sieny wist dat haar schoonvader in een gezin was waar ook veel kinderen zaten. Ze vroeg Piet Breyer of die oudere man misschien Salli Cohen heette en Het een foto van haar schoonvader zien, waarop Piet Salli Cohen als ’Ome Henk’ herkende.

MET VEEL AFSTAND beschrijft ’Ome Henk’ in zijn herinneringen hoe Piet Breyer op een avond thuiskwam met een koffer, die hem bekend voorkwam. Ant Breyer keek erin op zijn verzoek en zag een sportbroek die ze voor kinderenkleren aanzag, maar het liet hem niet los. Salli Cohen: ’De volgende avond, we waren allemaal naar bed, hoorde ik dat Piet Breyer tante Antje in het oor fluisterde dat die koffer van mijn kinderen was en dat zij zo slecht zaten. Overdag waren ze op een woonschuit en ’s nachts moesten ze zich buiten verschuilen omdat de opsporingsdienst hen zocht. Ik begon te huilen. Tante Antje kwam uit bed en troostte mij met de woorden: Als het waar is, als het uw kinderen zijn, dan halen we ze hier. Waar er acht zijn, kunnen er ook tien onderduiken. Ga maar lekker slapen, het komt wel in orde.’
De volgende avond in het donker kwamen Piet en Dirk Breyer met drie fietsen Sieny en Harry halen.
Sieny Cohen: ’Het was net of we uit de hel in de hemel kwamen: al die vrolijke gezichten bij de Breyers en een wit tafelkleed en witte kopjes op tafel. Vader, die wij meteen ome Henk noemden, huilde en tante Ant glunderde. Alles was in feeststemming: de kinderen van oom Henk kwamen!’

Salli Cohen (ome Henk) met Sieny en Harry vlak na de oorlog

DE LAATSTE ONDERDUIKSTER kwam een paar dagen later, Janny Vischjager-Scheffer, met haar twee maanden oude baby — haar man was weggehaald bij een razzia in Amsterdam. Oom Hannis had haar in de Haarlemmermeer ondergebracht, maar op haar onderduikadres was geen mogelijkheid om zich te verschuilen als er een overval dreigde: nachtenlang lag ze met haar baby onder het bietenloof op het land. Piet Breyer zocht haar af en toe op, werd verliefd op haar en wist zijn moeder ervan te overtuigen dat er nog een tiende onderduiker bij kon. Alleen de baby kon niet blijven, het was een besneden jongetje. Hoe graag we het ook hier willen houden, zei tante Ant, je mag daarvoor het leven van zoveel andere mensen niet op het spel zetten. Janny Vischjager heeft haar baby afgegeven aan de ondergrondse. Het kind is de oorlog doorgekomen, maar ze heeft hem nooit meer teruggekregen — hij is bij zijn pleegouders gebleven.
Janny, nu Breyer-Scheffer: ’Tante Ant was een geweldige vrouw, ze heeft zestien kinderen gehad, van wie er zeven in leven zijn gebleven. Op haar tweeënvijftigste jaar kreeg ze, middenin de oorlog, nog een miskraam, Sieny Cohen heeft haar geholpen, terwijl wij in de kelder zaten. Om dat huishouden van achttien mensen draaiende te houden, moest er iedere dag een kwart mud aardappelen geschild worden en waren er iedere dag twaalf broden nodig. We stikten allemaal van de zenuwen en die aten we weg. De jongens Breyer werkten op het land en hadden altijd honger, maar tante Ant lette op dat niemand meer kreeg dan de ander, ook haar eigen kinderen niet.
Iedere dag legde ze veertig sneden brood apart om uit te delen aan mensen die op hongertocht langskwamen. Als er niet genoeg brood was, bakte ze zelf nog bij,’
En hoe erg het ook was, er waren altijd taartjes als er iemand jarig was, van bakker Verhoef. Op Oudejaarsavond maakte Ant Breyer oliebollen en er is altijd sinterklaas gevierd, met pakjes en surprises, ook in de hongerwinter.
Wie dat kon doen, betaalde een tientje kostgeld in de week, en voor de kinderen uit de Bergstichting kregen de Breyers vier gulden per week, waarvan ze ieder kind een gulden zakgeld gaven. Wie geen geld had, betaalde niets. Op het laatst van de oorlog kwam er financiële hulp van de illegaliteit, maar daar hebben ze maar kort van geprofiteerd.

Gerrie Breyer: ’Mijn moeder had ons en zichzelf zo getraind in oppassen wat je zegt, dat ze toen een vreemde bonkaarten van de ondergrondse bracht, de man wegstuurde met de mededeling dat ze niemand in huis had en niets nodig had. Terwijl we echt bijna niets te eten hadden. Ze gaf haar eigen bonnen ook nog weg aan familie in de stad en stuurde af en toe pakjes met de bode. Als ze dat niet had gedaan, had ze na de oorlog niet zoveel schuld gehad. Na 1945 moest ze alleen bij de bakker, ik geloof, 90 mud tarwe afbetalen. Dat heeft ze met een dubbeltje per pond betaald.’
Harry Cohen: ’Ze hadden duizend gulden schuld, dat hoorden we pas twee jaar geleden, kort voor ome Sam stierf. Ze hadden ons dat nooit gezegd.’
Sieny Cohen: ’Toen ik tante Ant na de oorlog vroeg waarom ze dat allemaal had gedaan, zei ze dat ze hoopte dat ze daardoor in de hemel zou komen. Oom Sam zei: "Christus heeft gezegd gij zult helpen wie vervolgd worden." Op ’t laatste vroeg hij ons of we niet liever op transport waren gegaan. Zo mensonterend vond hij het dat hij ons op zo’n manier moest bewaren.’ Harry Cohen: ’Ze leefden naar wat ze in de bijbel lazen. Als oom Sam voorlas dat de aarde op vier pijlers rust en wij zeiden dat de aarde rond was, was daar geen discussie over mogelijk. Moet ik hem dan als onderduiker gaan vertellen dat het niet zo is?’
Sieny Cohen: ’Dat geloof van die mensen is zoiets moois, ze leven er helemaal naar. Eerlijkheid en geloof is één. Een van de meisjes die met ons waren ondergedoken, is met de oudste zoon getrouwd en is hervormd geworden. En Jannie die met Piet Breyer is getrouwd, is Jehova’s Getuige, hoewel ze joods waren opgevoed. Maar tante Ant en oom Sam hebben nooit druk op ons uitgeoefend. Toen we kwamen zei ze: ik weet dat jullie ’t niet gewend zijn, maar wij bidden hier voor en na het eten. Ze vonden ’t alleen jammer — voor ons — dat we niet het ware geloof hadden, omdat we niet in de hemel zouden komen.’

EIND 1943 WERD het te gevaarlijk om allemaal op zolder te slapen. Oom Sam had de oplossing: de kruipkelder, die kon worden uitgegraven. In de keldermuur zat een barst en oom Sam noemde dat een vingerwijzing Gods. Op die plek moest de keldermuur opengebroken worden. Wekenlang hebben ze als mollen gegraven en ’s nachts de aarde op het land uitgestrooid. Het gat in de keldermuur dat toegang gaf tot de tweede kelder, werd zo goed mogelijk gecamoufleerd.
Sieny Cohen: ’We lagen in het stro, zitten kon niet, de kelder was maar 75 cm hoog. Eerst gingen we alleen ’s nachts in de kelder, later kwamen we er niet meer uit, alleen om even rechtop te staan en ons te wassen. We konden het stro alleen verversen als de varkens vers stro kregen, anders viel het te veel op — al dat vuile stro. Dat is in al die tijd twee of drie keer gebeurd. Het enige boek dat we lazen, was de bijbel. Weet je waaraan je dacht de hele dag? Wanneer we bevrijd zouden worden, en wat er met de familie was gebeurd. Dat was het enige waaraan je kon denken.’
Chellie Paardekoper: ’We lagen met z’n elven, in twee rijen naast en achter elkaar. We aten ook in de kelder, liggend. We plasten op een emmer. Op een nacht wilde ome Henk de emmer pakken en reikte over een van de meisjes heen, AU, maar hij kon ’m niet houden zodat alles over Ali heen viel. Die schoot overeind en riep dat de Haarlemmermeer onder water liep.’ (Op het laatst van de oorlog dreigden de Duitsers dat ze de dijken zouden doorsteken zodat de polders zouden onderlopen.)
In het begin brandde er een klein lampje in de kelder zodat ze konden lezen. Tot de buren vroegen waarom er steeds licht in de aardappelkelder brandde, daarna moesten ze het doen met het weinige licht dat door de roosters van de fundering kwam.

DE LAATSTE KEER DAT ALLE onderduikers gezamenlijk boven aten, was een gedenkwaardige dag. Het was de verjaardag van oom Henk (Salli Cohen). Tante Ant beschrijft het in haar herinneringen: ’Het was verraden werk. We hadden ’s middags net gegeten, de onderduikers in de kamer en wij in de keuken. Ik zei tegen Ria (één van de onderduiksters): stapel de borden maar in elkaar en leg het kleedje op tafel, dat is gezelliger. Mijn man was niet thuis met eten en mijn zoon Dirk ook niet en toen zou mijn oudste zoon Sam de bijbel lezen, zo wij gewend zijn. Nu moet ik eerst vertellen dat ome Henk de taak op zich had genomen van uitkijken, er kwam geen muis binnen zonder gezien te zijn. En precies op het moment dat Sam de bijbel pakte, riep ome Henk: "Sicherheitsdienst", Holderdebolder, alles weg. Ze liepen regelrecht naar het opklapbed en rukten de roetjes met gordijnen eraf. Ik zei dat ze zich behoorlijk moesten gedragen: "Wij hebben jullie er goedschiks in gelaten, dus ik eis van jullie dat je dat ook doet."
Goed, een persoon gaat de kelder in, met een knijp kat en bevoelde de stenen plavuizen of er niet een loslag. Ik zag zijn hielen door het gat verdwijnen en mijn geest ging van mij.’ Sieny Cohen lag met de anderen in de kelder en verstond woord voor woord wat er boven gebeurde: ’We hoorden dat het luik werd opengemaakt, tante Ant had in de haast Gerrie er nog bovenop gezet, die duwden ze weg. We hoorden de knijpkat steeds dichterbij komen, ik verwachtte ieder moment dat het schijnsel bij het luik naar onze kelder zou stilhouden. En ik moest steeds denken aan die stapel borden die nog in de kamer stond, veel te veel voor die paar mensen die boven waren.
Che, de jongste onderduiker van 7 jaar, die in de armen van mijn schoonvader lag, zei later: "Oom Henk, wat klopte uw hartje." ’ Ant Breyer: ’Plotseling keerde de man weer terug en mijn geest ook. Toen keek hij met de knijpgat achter het orgel. Mijn zoon Sam zei dat ze er niet achter zaten, maar erin, en toen kwam die man naar mijn jongste zoon toe, gaf hem een schop en schreeuwde dat hij zijn mond moest houden. Sam zei dat hij het gezegd had en toen begonnen ze alle portretten na te kijken. Het portret van Juliana en prins Bernhard haalden ze van de muur, scheurden het kapot en gooiden het in de kachel. Toen ze niets vonden namen ze mijn oudste zoon Sam mee naar buiten en zeiden dat hij mee naar Vught ging als hij niet zei waar de joden zaten. Er zijn hier geen joden, zei hij, geloven jullie die praatjes van de mensen dan. Ja, zeiden ze, er is meestal wel wat van aan. Nou, zei mijn zoon, hier is er niets van aan. Ze hebben hem nog zijn jas aan laten trekken, men buiten. Tante Ant zei: "Komen jullie maar ma. Die leegte, al die mensen die er niet meer

NA DOLLE DINSDAG (September 1944) werd het steeds moeilijker, daarvoor leefde iedereen in de veronderstelling dat het hooguit nog een paar maanden zou duren. Oom Henk (Salli Cohen), de enige oudere tussen de jonge onderduikers, ergerde zich aan de vrijpartijen tussen de zoons Breyer en de jonge ondergedoken meisjes, die zich onder zijn ogen in de kelder afspeelden. Ant Breyer sloot er haar ogen voor, ze wilde geen kwaad over haar zoons horen, ’dus dan houd je je mond, je bent onderduiker en afhankelijk,’ zegt Sieny Cohen nu. Gerrie Breyer: ’Je kon steeds minder van elkaar verdragen, je wilde wel, maar het ging niet meer. Op het laatst liep het zo hoog op dat als de een de asbak hier had neergezet en de ander ’m een stukje verzette, de ruzie losbarstte. We hadden er zo op gerekend dat het afgelopen zou zijn en toen kwam die hele lange winter nog. Tegen het einde van de oorlog ging het hè le-’ maal verkeerd, ome Henk is toen naar buiten gelopen, zo maar de weg op. Hij kon het niet meer aan. Harry en Sieny waren de enige kinderen die hij nog over had. Hij was dag en nacht omringd door jongelui van wie de een nog harder giechelde dan de ander. Daar kon hij niet meer tegen. Hij is naar bakker Verhoef gelopen. Het enige goede adres dat hij kende.’ Mijn moeder raakte ook van de kook, zij moest altijd maar sussen. Het had echt niet veel langer moeten duren.’
Maar meteen daar achter aan: ’Toch ging het meestal goed, toen een van de meisjes in één keer 7 borden liet vallen en uit de keuken riep dat er niets aan de hand was: alleen 7 borden stuk, zei mijn moeder doodkalm dat er dan verder van de tafel werd gegeten. Ze hoorden allemaal bij de familie. Toen Sieny en Harry Cohen na de oorlog een groot cadeau wilden geven, heeft mijn moeder dat geweigerd: "Als jullie maar geregeld komen", zei ze, dat was wat ze wilde. Allemaal missen ze vader en moeder nu net zo hard als ik ze mis.’ Ant Breyer schrijft geen woord over onderlinge moeilijkheden: ’We hebben van februari 1943 tot mei 1945 gezellig met elkaar gewoond zo besluit ze haar herinneringen.

Linkerpagina: Ant en Sam Breyer met Louis Busnach

NA DECEMBER 1944 IS ER geen overval meer gedaan op het huis van de Breyers. Bij de laatste overval vroeg oom Sam aan een van de Nederlandse politiemensen waar hij zich kon vervoegen om van deze onverwachte bezoeken af te zijn. ’Jullie komen nu al voor de zevende keer,’ zei hij ’dan uit Amsterdam, dan uit Haarlem, dan uit Leiden, is het nu nog niet duidelijk dat hier niets te zoeken is. Ik wil mijn beklag doen want wij hebben veel last van dat bezoek.’ Daarna heeft tante Ant een brief geschreven naar de burgemeester met de mededeling dat ze niet meer lastiggevallen wilde worden en dat na 7 overvallen toch wel duidelijk was dat zij geen joden verborg.
Oom Henk schrijft in zijn herinneringen: ’Na dit laatste bezoek is er inderdaad nooit meer een overval geweest, alleen wisten wij dat toen niet en bleef de angst tot het laatste moment.’
De ochtend van de vijfde mei kwam de oudste zoon Sam heel vroeg opgewonden thuis. Hij had gehoord dat die avond de vrede zou worden getekend.
Harry Cohen: ’We werden wakker van de stemmen buiten. Tante Ant zei: komen jullie maar boven, het is afgelopen." ’ Chellie Paardekoper. ’We wilden natuurlijk allemaal meteen naar buiten. Nee, zei tante Am, jullie blijven in de kelder tot 8 uur. En daar gingen we5 achter elkaar op onze knieën, voor de laatste keer. Precies om 8 uur gingen we naar buiten, oom Henk met de vlag voorop. Wij strompelden erachteraan, we hadden last van onze knieën, door het vele kruipen. De buren stonden allemaal op de weg, ze wisten niet wat ze zagen: Kijk ’s, oh, kijk ’s en hardop begonnen ze te tellen: l, 2, 3, 4, 5, tot 11 toe. Ze waren stomverbaasd dat ze daar nooit iets van hadden gemerkt.’
Harry Cohen: ’Ik dacht als we nu weer naar beneden moeten, kunnen we het niet meer. Dit is de laatste keer.’
Chellie Paardekoper: ’De volgende ochtend gingen we met z’n allen naar de kerk: wij kwamen als laatsten binnen. Er was plaats voor ons gereserveerd op de eerste rij en de dominee heeft ’t bijna de hele preek over tante Ant en oom Sam gehad.’ Harry Cohen: ’Dat was de glorie van tante Ant.’
Sieny Cohen: ’En daarna kwam het echte drama. Die leegte, al die mensen die er niet meer waren, en onze huizen leeggeroofd. In de oorlog leefden we in een soort narcose, waarin we aan niets anders konden denken dan de bevrijding en alleen maar hoopten dat we ’t zouden halen. Pas na de oorlog gingen we echt de grond in.’

Met dank aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie Op verzoek van twee geïnterviewden hebben we hun namen veranderd.
 


 
NIEUW TOEGEVOEGDE FOTO
Oude kwekerij van Jan Joore,nu Henninkstraat rond 1940. De man geheel rechts is Jan Joore (eigenaar van de kwekerij) de andere twee zijn niet bekend Het woonhuis wat op de achtergrond staat aan de Aalsmeerderweg nr 800 en 802 ,het oude huis heeft in 1999 plaats gemaakt voor nieuwbouw ...

MEER OVER DEZE FOTO >>  

 
WAT WEET U VAN DEZE FOTO?
Als u iets weet over deze foto klik dan op "Meer over deze foto" en geef uw informatie door!

MEER OVER DEZE FOTO >>  

© Jan Wies 2017 | j.wies@planet.nl | Kruislaan 28, 2131WD Hoofddorp | telefoon: 023 5636680 Gesponsord door Clic2connect