OVER DEZE WEBSITE  |   GASTENBOEK  |   AANRADERS  |   DISCLAIMER  

Tekst   Foto's
HOME     HAARLEMMERMEER      DORPEN     T OUDE BUURTJE     PERSONEN     ZOEKPLAATJES     FOTOALBUMS     FILMS    
»  Droogmakingsplannen 17e Eeuw
»  Droogmakingsplannen 18e Eeuw
»  Droogmakingsplannen 19e Eeuw
»  Cruquius, Nicolaas Samuel
»  1839-52 de Droogmaking
»  1845 Bouw Gemaal Leeghwater
»  1850 de Polderjongen
»  1852 Verkaveling en Inrichting
»  1854 Tochtje door nieuwe Polder
»  1858-60 Gedenkpenningen Droogmaking
»  1852-70 de Kolonisatie
»  1870-90 de Landbouwcrisis
»  1890-1920 Economisch Herstel
»  1920-45 begin verstedelijking
»  1940-45 Onderduikers in Haarlemmermeer
»  Deel 1: Fam Bogaard
»  Deel 2: Fam Bogaard Vervolg
»  Deel 3: Fam Breyer
»  1945-75 Sterkere Verstedelijking
»  Boerderij namen

 Een tochtje door de Haarlemmermeer.

Dit verhaal was gepubliceerd in het blad "Buiten" van 9 maart 1912. De schrijver citeert het verhaal uit het dagboek van zijn moeder, die deze barre tocht in de vijftiger jaren van de 19e eeuw ondernam. Het speelt zich af in de eerste jaren van de drooglegging, als een vrouw met haar drie kinderen en een vriendin een voettocht ondernemen door de pas drooggemalen Haarlemmermeer.
De tocht start ongeveer bij het toenmalige fort Schiphol ( waar nu de Colijnbrug is) langs de Spaarnwouderdwarsweg (Schipholweg) tot waarschijnlijk de Kladdebuurt (Boesingheliede) waar toen al een kleine nederzetting was. Daar aangekomen volgen ze waarschijnlijk de IJweg richting Houtrijk en Polanen (Halfweg) omdat daar een overzetpont was naar Halfweg. Vanaf Halfweg konden ze dan via de Haarlemmer straatweg richting Haarlem.

Het eerste gedeelte van de terugweg is waarschijnlijk met een roeiboot over de Haarlemmer trekvaart gegaan tot Halfweg. Bij Halfweg zijn ze dan weer uitgestapt om vervolgens het jaagpad, wat aan de binnenzijde van de ringvaart liep, te volgen tot fort Schiphol.

Een tochtje door de Haarlemmermeer.
(uit moeders dagboek).

Toen ik verleden zomer het bericht las dat 18 Juli, in Hoofddorp den dag herdacht zou worden der droogmaking van de Haarlemmermeer, herinnerde ik mij eenige bladzijden, uit Moeders dagboek, die, aan de tegenwoordige bewoners van die plek "ontwoekerd aan de golven" schier eeuwen oud moeten schijnen. Deze waterplas, eenmaal de grootste van ons rijk, was waarschijnlijk uit een ouden tak van den Rijn ontstaan, en besloeg een oppervlakte van 30.000 Rijndlandsche morgen. Toen Leeghwater het plan tot droogmaken van het meer opperde, vreesde men dat het nimmer tot een uitvoering zou komen, omdat het door verschillende kanalen met den Rijn, het Spaarne en het IJ gemeenschap had. Maar wat Leeghwater in 1640 niet tot stand bracht, gebeurde twee eeuwen later, en reeds in 1854, verrees, nabij Sloten, de Badhoeve, door den ondernemenden eigenaar Mr. J. P. Amersfoort tot een welvarende kolonie en modelboerderij opgewerkt, waar ik menigmaal een oogstfeest heb bijgewoond. Uit dien tijd dateeren deze bladzijden:

"Juli. Ons zomerverblijf, waar ik met mijn kinderen de vacantie doorbracht, lag dicht bij wat men toen "de Zwarte Polder" (de Schinkelpolder) noemde; ’t was een primitief optrekje; de dagen verliepen er stil in eentonige doch vredige rust. Maar die rust en eentonigheid deden mij naar eenige afwisseling haken, en toen de droogmaking van het meer als een "fait accompli" besproken werd, bekroop mij de onweerstaanbare lust om dat reuzenwerk met eigen oogen teaanschouwen, en langs dien korten nieuwen weg, mijn moeder in Haarlem te gaan verrassen. Een vriendin, die bij mij logeerde, versterkte mij in mijn voornemen, en de kinderen, waarvan de jongste tien, en de oudste vijftien jaar oud was, juichten van pret, toen wij hen, den avond voor de uitvoering, ons plan mededeelden.

Wij voorzagen ons van een goeden voorraad vruchten en proviand, en stapten, door heerlijk weer-begunstigd, ’s morgens om zeven uur, in een keurigen tentschuit, waar ons ontbijt gereed stond, om,, onder het nuttigen daar van, ons, over het spiegelgladde water, tot op de grens van den Haarlemmermeerpolder te laten roeien. Vol moed stapten wij te acht uur aan land en volgden een ons aangewezen weg, tusschen een nauwe sloot en hoog gras, waar de mooiste bloemen weelderig groeiden, die de kinderen, opgetogen, verzamelden en op het lange eentonige pad, in kransen vlochten, waarmee zij zich al zingende tooiden.

Naarmate de middag naderde en de zon heeter begon te gloeien, begon ons de weg te vervelen en lang te vallen; de bloemen,, minder frisch geworden, ontvielen de warme handjes en de lust naar iets degelijkers deed zich scherp gevoelen; maar nergens was een schaduwplekje dat ons. tot rusten verlokte.
Eindelijk kregen wij een keet in het oog, waarvoor eenige havelooze vrouwen en kinderen te praten stonden, die ons met open monden aanstaarden. Wij maakten een praatje en vroegen hun ons den weg naar Haarlem te wijzen. Als wij den weg naar het onderaardsche rijk hadden gevraagd, dan hadden zij ons misschien minder verbaasd aangekeken dan nu. Eindelijk sprak de oudste, met een meewarige stem, dat wij maar liever moesten uitrusten en terugkeeren, want dat de weg niet verder dan nog een kwartier door ging, en er dan geen mogelijkheid was om verder te gaan. Heugelijke tijding, wanneer men, als moeder, tot gids en voorbeeld moet dienen voor drie kinderen en logee! Maar ik liet mij niet afschrikken.

Wij vielen hongerig op de meegenomen provisiën aan, dronken gretig de versche geitemelk, die de vrouwen ons brachten, en deelden de kleine havelooze wezentjes van onze vruchten mee.
Na een half uur zetten wij onze wandeling voort, nieuwsgierig naar wat ons wachtte. De werkelijkheid overtrof echter alles!

De weg eindigde in een modderig voetpad en voor onze oogen strekte zich een wijde vlakte van zwarte modder uit, waar mannen met hooge baggerlaarzen aan, tot aan de knieën toe bemodderd, stonden te scheppen en te werken. Op onze nadering staakten zij den arbeid en plooiden zich aller lippen tot een spottend lachen, terwijl de op- en aanmerkingen, die onze ooren troffen, alles behalve aanmoedigend waren. Eindelijk vroegen wij of er een weg was waarlangs wij verder naar Haarlem konden gaan ?
"Ja!" was ’t ironisch antwoord, "aan den overkant is een mooie weg!"
Aan den overkant! hoe daar te komen?
"Voor een borrel wil ’k er je over dragen!" klonk ’t eindelijk.
Wij zwegen om onze teleurstelling te verbergen en geen voedsel aan hun lachlust te geven.
Toen trad een meer bezadigd man op ons toe, en sprak: "Wat wil je ons geven als wij planken voor je leggen?"
Dit was tenminste een uitkomst. Ik gooide ’t op een akkoordje ; de planken werden gelegd en wij volgden onzen leidsman, als schapen hun herder. In het midden van onzen langzamen overtocht, verschrikte mij een angstige kreet, en omziende zag ik mijn vriendin met een wanhopig gezicht stil staan, niet bij machte om haar voet, die ter zijde van de plank gegleden was, uit den modder los te krijgen, wat haar na veel moeite, met opoffering van haar overschoen gelukte. 

Ondanks dat die ruim 50 jaar jonger is dan het verhaal, geeft deze foto van vier gebroeders Overbeek (Henk, Jan, Teun en Jaap) wel een idee over de poldergasten uit dit verhaal.

Met een luid Hoezee! van de poldergasten wier lachende oogen op ons gericht bleven, bereikten wij eindelijk den overkant, en gingen met nieuwen moed voorwaarts, hopende dat de toren van de beloofde stad zich spoedig aan onze verlangende blikken zou vertoonen. In stede daarvan zagen wij een lucht die al zwarter en zwarter werd, alsof zij al het zwart van de modderige vlakte in zich opgenomen had. Dikke druppels vielen op onze gestreken japonnetjes, en een dof rommelend gedreun, kondigde een naderende onweersbui aan. Gelukkig ontwaarden wij in de verte een hut, waar wij zoo gauw wij konden een toevlucht zochten, ’t Was een ruwe keet, doch daar binnen was alles zindelijk en netjes.

Een oude man, de eenige bewoner, ontving ons met goedhartige vriendelijkheid; hij veegde met zijn bonten halsdoek de bank af, eer wij er ons op neervlijden, en onderhield ons met goedmoedig gepraat over zijn dagelijksch bestaan. In den haard, uit dakpannen samengesteld, brandde een klein turfvuur, waarboven een helder geschuurd keteltje zingend stoomde; op een plank daarboven, stonden een koekepan, een aarden pot, twee kruiken en een paar kommetjes; de bedsteêdeuren waren dicht; ik kon niet zien waaruit zijn leger bestond, maar ’t trof mij dat die man, in zijn schamele woning, betoogde dat ’t leve toch zuut was".
De regen viel in stroomen neer; donder en bliksem vervulden ons met ontzetting op deze eenzame vlakte; de kinderen klaagden over vermoeidheid. Ik voelde berouw over mijn ondernemingsgeest, daar wij, in plaats van drie uren nu al zes uren onderweg waren en ons doel nog niet bereikt hadden.

Zoodra de bui was overgedreven gingen wij verder. De veerkrachtige stappen van mijn arme slachtoffers werden trager; de klappende tongetjes werden stiller; de bemodderde schoenen en slappe jurken, onoogelijker, naarmate de toren van de stad meer en meer in het gezicht kwamen de weg minder eenzaam werd. Ik schaamde mij, om met mijn vermoeide bende, als een dolende zigeunerfamilie, Haarlem binnen te gaan. Aarzelend overwogen wij welke achterwegen te volgen toen een huifkar ons achterop reed. Met een mooi praatje wist ik den voerman te bewegen ons vuil, verregend troepje onder zijn huif te verbergen; ons, ongezien door de stijve en deftige Haarlemmers, de stad binnen te smokkelen, en voor de deur van moeder’s woning af te zetten.

Eenmaal daarbinnen was onze tegenspoed vergeten. Een heerlijk diner, een verfrisschend bad, en slaap, de alles herstellende en herlevende slaap, gaf allen de verloren kracht en verslapte energie terug. Wij brachten den volgenden dag in zalige rust door, en binnen Kenau’s wallen, door haren moed bezield, besloten wij ons plan niet op te geven, maar te volharden in ons voornemen om den weg te vinden die, na vertrouwbare inlichting, ons in drie uren tijds, te huis moest brengen.

Den derden dag, lieten wij ons in den koelen namiddag, een eindweegs, in een roeiboot brengen, en namen langs een glad en effen jagerspad, den terugtocht aan. De jongeren, weer frisch en vroolijk, vol van hun avonturen stapten zingend voort; wij, ouderen, volgden onder gezellig gebabbel, en ik trachtte mijn "bonne mine a mauvais jeu" te behouden. Weldra mengden zich mannenstemmen in het gezang van de kinderen; twee mannen, die een met zakken beladen schuit, langs het smalle pad voorttrokken, maakten, toen zij naderkwamen een praatje en vroegen of de kinderen in hun vaartuigje wilden meegaan. Zij namen dit aanbod met graagte aan, en toen zij, na een half uur, weer aan land gezet waren, daar waar eenige huizen een klein dorp aanduidden, vroegen wij of er mogelijkheid was om met een rijtuigje tot aan het Fort gebracht te worden, want het begon reeds te schemeren en de weg was nog lang. Er was geen voertuig te krijgen.

Teleurgesteld vervolgden wij het smalle jagerspad, waarop wij, in onze lichte zomerkostuums, als spookachtige gedaanten, de eene achter de andere, zwijgend voortschreden.
Geen wonder dus, dat, toen ons weder een trekschuit, door twee paarden getrokken, tegemoet kwam, één der dieren schrikte en de dappere ruiter de angstkreet ontviel: ,,O! Sep, Sep, m’n paard keert om het zijn spoken!...." Maar onze liefelijke stemmen stelden de beide moedige Hollanders gerust, en plotseling welsprekend geworden riep de eerste: Goddorie, ’t zijn vrouwen! Vooruit, Bles!" en vooruit gingen zij en wij.

Eindelijk, omstreeks tien uur, naderden wij de ons welbekende hut aan het kanaal, waar onze knecht ons weer met ons eigen bootje zou opwachten. De goede man had zich heel ongerust gemaakt, daar de kalme dag voor een onstuimigen nacht had plaats gemaakt, en hij geen kans zag om in donker de rechte koers over het meer te sturen. Wij besloten bij de oude vrouw, die al sinds veertig jaren de post van Charon vervulde om smachtende zielen, niet over de Styx, maar over het breede kanaal te voeren, de dageraad af te wachten.

De hut, die wij binnen traden, leverde een waardig tafereeltje voor Jan Steen op. Het flauwe schijnsel eener koperen olielamp verlichtte slechts gedeeltelijk het vertrek, zoodat wij pas, toen wij op de matten stoelen gezeten waren, de bijzonderheden konden onderscheiden.
In een donkeren hoek sliepen twee mannen op een kermisbed, waarop zich, aan het voeteinde, een groote zwarte herdershond genesteld had. Op een ladder en op een der stoelleuningen verbeeldden zich een zestal kippen dat zij op stok zaten; aan de zoldering hingen kooien met vogels; de zeventigjarige vrouw, wier kin en neus elkaar vertrouwelijk tegemoet traden, en wier rimpelig gelaat door een rooden zakdoek was omlijst, beijverde zich om koffie voor ons te zetten, want ontbering gedoogt geen kieskeurigheid, en naarmate onze vermoeienis vermeerderde en onze provisiën verminderden, werden onze eischen minder groot. Wij vonden het zelfs een ongekende weelde om melk te proeven van de geit die, om onzentwille in haar nachtrust gestoord, in de kamer gemolken werd.
De kinderen, met het hoofd tegen ons aangeleund en de jongste, in een shawl gewikkeld op den grond, waren weldra in diepen slaap; wij, ouderen zaten knikkebollend op de harde stoelen; de oude vrouw had haar plaatsje weer in de bedstee ingenomen en de knecht had zich ergens in het stroo gelegerd, zoodat alles tot rust kwam, behalve de wind, die steeds heviger opstak en de golven van het Schinkelmeer dat wij over moesten, met schuimende koppen voortjoeg.

Nauwelijks wierp de dageraad zijn eerste schijnsel door het kleine venster, of de kippen vlogen kakelend op den vloer en schrikten ons uit onze gedwongen houding op; de geit begon te blaten; de vogels te klapwieken, de mannen op hun leger rond te draaien, en wij begrepen dat het beter was den aftocht te blazen, eer alles, in de kleine woning, tot het dagelijksche leven terug keerde. Het was vier uur in den morgen, toen wij door onze vriendelijke gastvrouw werden uitgeleid, en in ons bootje stapten, dat dobberend en slingerend over de grauwe golven werd geroeid, en om vijf uur waren wij te huis. Zoodra de kinderen in hun eigen bedje waren opgeborgen, bekroop mij een gevoel van schaamte over mijn roekelooze onbedachtzaamheid maar bedacht toch met zekeren trots dat wij de eerste dames waren geweest, die te voet, over den pas drooggemalen grond, ons een weg naar Haarlem hadden gebaand."

NINA


 
NIEUW TOEGEVOEGDE FOTO
Sorry Jan, Het moet wel Aaltje zijn. Zij is geboren te Haarlemmermeer 2 mei 1911. Haar ouders: Cornelis Boesveld - moeder Meintje Weggen.
Piet Gorter
MEER OVER DEZE FOTO >>  

 
WAT WEET U VAN DEZE FOTO?
Als u iets weet over deze foto klik dan op "Meer over deze foto" en geef uw informatie door!

MEER OVER DEZE FOTO >>  

© Jan Wies 2017 | j.wies@planet.nl | Kruislaan 28, 2131WD Hoofddorp | telefoon: 023 5636680 Gesponsord door Clic2connect